
Vrijwel elke bedrijfshal heeft daglicht van bovenaf: lichtstraten, lichtbanden of koepels. Ze besparen verlichtingskosten en maken de hal prettiger om in te werken. In de zomer zijn ze ook de grootste bron van warmte-instroom. Dit artikel legt uit hoe dat werkt, hoeveel het uitmaakt en welke keuzes u heeft.
Waarom bedrijfshallen daglicht van bovenaf hebben
Een bedrijfshal is breed en heeft weinig gevel in verhouding tot het vloeroppervlak. Ramen in de gevel verlichten alleen de eerste meters; het midden van de hal blijft donker. Daglicht van bovenaf is de enige manier om een grote vloer gelijkmatig te verlichten.
Dat levert direct besparing op. In een hal met voldoende daklicht kan de kunstverlichting een groot deel van het jaar overdag uit of gedimd blijven. Bij hoge hallen met krachtige armaturen is dat een substantiële post.
Er is ook een minder tastbaar argument dat in de praktijk zwaar weegt: mensen werken prettiger met daglicht. Voor een werkplek waar iemand acht uur per dag staat, is het verschil tussen kunstlicht en daglicht merkbaar in hoe de dag voelt.
Het percentage dakbeglazing bepaalt de warmtelast
De vuistregel in de bouw is dat vijf tot vijftien procent daklicht in het dakvlak een goede balans geeft tussen daglicht en warmte. In de praktijk zit een fors deel van de Nederlandse bedrijfshallen aan de bovenkant van die range of erboven, vaak omdat er in de ontwerpfase vooral naar de verlichtingsbesparing is gekeken.
Het verschil is groot. Een dak met vijf procent daklicht laat op een hete dag een hanteerbare hoeveelheid warmte door. Bij vijftien procent is de warmte-instroom drie keer zo hoog, en dat is precies waar een hal in juli onwerkbaar wordt.
Wilt u weten waar u staat? Tel het aantal daklichten, vermenigvuldig met de dagmaat per stuk, en deel dat door het totale dakoppervlak. Die ene som verklaart in veel hallen het grootste deel van het zomerprobleem.
Waarom de warmte precies op de verkeerde plek terechtkomt
Warme lucht stijgt. In een hal van acht tot twaalf meter hoog verzamelt de warmte zich onder het dak, en juist daar komt hij ook binnen. Boven in de hal kan het daardoor tien graden warmer zijn dan op de vloer.
Dat lijkt gunstig zolang mensen op de begane grond werken, maar in de meeste hallen klopt die aanname niet. Orderpickers werken tussen hoge stellingen waar de warmte blijft hangen. Heftruckchauffeurs zitten hoger dan het maaiveld. Kantoren op een entresol zitten er middenin. En de goederen op de bovenste stellingniveaus staan in de warmste laag van de hal.
Dit verklaart waarom een hal die volgens de thermostaat bij de deur acceptabel is, toch tot klachten leidt. De meting zegt weinig als hij op de verkeerde hoogte plaatsvindt.
Wat een te warme hal kost
De kosten zijn zelden zichtbaar op één factuur, maar ze zijn er wel.
- ✓Productiviteitsverlies: boven ongeveer 25 graden neemt het werktempo meetbaar af, en fouten nemen toe.
- ✓Ziekteverzuim: hittegerelateerde klachten als hoofdpijn, vermoeidheid en concentratieverlies leiden tot uitval.
- ✓Koelkosten: waar mechanisch gekoeld wordt, draait de installatie langer en zwaarder, met hogere energierekeningen.
- ✓Schade aan goederen: lijmen, kunststoffen, elektronica, voeding en verf zijn temperatuurgevoelig. In het bovenste stellingniveau loopt dat het snelst op.
- ✓Storingen: machines, besturingskasten en accu-laadstations hebben een maximale omgevingstemperatuur en schakelen uit of slijten sneller als die wordt overschreden.
- ✓Personeelsbehoud: in een krappe arbeidsmarkt is een hal die in de zomer onwerkbaar wordt een reden om ergens anders te gaan werken.
Wat de Arbowet hierover zegt
De Arbowet noemt geen concrete maximumtemperatuur voor werkruimtes. Dat verrast veel werkgevers, maar het betekent niet dat er geen verplichting is.
Wat er wel staat is een zorgplicht: de werkgever moet ervoor zorgen dat het binnenklimaat geen nadelige gevolgen heeft voor de gezondheid van werknemers. Bij structurele hittebelasting hoort dat in de risico-inventarisatie en evaluatie te staan, met bijbehorende maatregelen.
De Arbeidsinspectie kijkt daarbij naar de volgorde van de arbeidshygiënische strategie: eerst de bron aanpakken, dan collectieve maatregelen, dan individuele maatregelen en pas als laatste persoonlijke beschermingsmiddelen. Zonwering op de daklichten is een bronmaatregel en staat dus vooraan in die volgorde. Ventilatoren en extra pauzes zijn maatregelen aan het einde ervan.
De oplossingen op een rij
Grofweg zijn er vier routes, en ze verschillen sterk in effect en kosten.
Koelen of ventileren pakt het gevolg aan, niet de oorzaak. Het werkt, maar in een hoge hal met een groot daklichtoppervlak moet u tegen een continue warmtestroom in koelen. De energiekosten daarvan zijn aanzienlijk en lopen elk jaar door.
De daklichten vervangen door een warmtewerende uitvoering helpt, maar is een kostbare dakingreep en lost het probleem niet volledig op, omdat het daklicht zelf nog steeds opwarmt en warmte naar binnen straalt.
Kalken, folie of coating op de daklichten is goedkoop in aanschaf maar tijdelijk. Elke drie tot zeven jaar moet het opnieuw, telkens met werken op hoogte, en u levert daglicht in of neemt risico met het koepelmateriaal.
Buitenzonwering met een doek boven de daklichten pakt de bron aan zonder het daglicht weg te nemen. De zon wordt gestopt voordat het daklicht opwarmt, wat 60 tot 70 procent warmtereductie oplevert, terwijl diffuus daglicht doorkomt. Het is demonteerbaar en gaat tien jaar of langer mee.
Hoe u dit praktisch aanpakt
Begin met meten op de plek waar mensen werken, en niet bij de deur. Een simpele datalogger op werkhoogte, en bij stellingen ook op het bovenste niveau, geeft binnen een week een eerlijk beeld. Meet ook 's ochtends vroeg: blijft het 's nachts warm, dan zit er warmte in het gebouw opgeslagen.
Breng vervolgens het daklicht in kaart: aantal, dagmaten, materiaal, en welke daklichten een ventilatie- of RWA-functie hebben. Dat laatste is belangrijk, want die moeten blijven functioneren.
Met die twee gegevens is een gerichte offerte mogelijk. Zonder meting en zonder daklichtinventarisatie blijft elk voorstel een aanname.
Zie ook
Veelgestelde vragen
Hoeveel warmte komt er via de lichtstraten een bedrijfshal binnen?
Dat hangt vooral af van het percentage daklicht in het dakvlak. Bij vijf procent is de warmte-instroom hanteerbaar, bij vijftien procent is die drie keer zo hoog. In hallen zonder gevelramen op het zuiden zijn de daklichten in de zomer vrijwel altijd de grootste bron van warmte-instroom.
Wat is een goed percentage dakbeglazing voor een bedrijfshal?
De vuistregel is vijf tot vijftien procent van het dakvlak. Onder de vijf procent is er te weinig daglicht en moet de verlichting overdag aan. Boven de vijftien procent wordt de warmtelast in de zomer moeilijk beheersbaar zonder aanvullende zonwering.
Mag ik mijn personeel laten werken in een te warme hal?
De Arbowet noemt geen harde maximumtemperatuur, maar legt de werkgever wel een zorgplicht op voor een gezond binnenklimaat. Structurele hittebelasting hoort in de risico-inventarisatie en evaluatie, met maatregelen volgens de arbeidshygiënische strategie: eerst de bron aanpakken, pas daarna gevolgen bestrijden.
Is het beter om de lichtstraten te vervangen of er zonwering op te zetten?
Als warmte het enige probleem is, is zonwering vrijwel altijd gunstiger. Vervangen is een dakingreep met veel hogere kosten en verstoring, en ook een warmtewerend daklicht warmt zelf op en straalt warmte naar binnen. Zijn de daklichten toe aan vervanging vanwege leeftijd of lekkage, kies dan meteen een warmtewerende uitvoering.
Blijft mijn hal licht genoeg met zonwering op de lichtstraten?
Ja. Een geweven doek breekt direct zonlicht maar laat diffuus daglicht door, dus de hal blijft goed verlicht terwijl de felle vlekken en schittering verdwijnen. Dat is het belangrijkste verschil met kalken, dat het daglicht wel grotendeels wegneemt.
Heeft u een warmteprobleem via uw lichtstraat?
Sheltic meet op locatie in, produceert het doek op maat en monteert alles vakkundig. U hoeft er niets voor te regelen.
Vraag gratis offerte aan →