De positie van uw zonwering, buiten of binnen het glas, bepaalt hoeveel warmte uw bedrijfspand daadwerkelijk bereikt. Het verschil in effectiviteit is groter dan de meeste mensen verwachten.
Hoe komt warmte een gebouw binnen via de lichtstraat?
Een lichtstraat bestaat uit glas of kunststof (doorgaans polycarbonaat). Beide materialen laten zonlicht door, inclusief de infraroodstraling die warmte veroorzaakt. Wanneer zonlicht op de lichtstraat valt, wordt een deel gereflecteerd door het oppervlak, maar het grootste deel wordt doorgelaten en geabsorbeerd door de beglazing.
Dit opgewarmde glas of kunststof straalt vervolgens warmte naar de ruimte eronder uit. De positie van de zonwering, buiten of binnen het glas, bepaalt op welk moment in dit proces de warmte wordt tegengehouden. Dat moment maakt het verschil.
Binnenzonwering: beperkte effectiviteit
Binnenzonwering, ook wel inwendige zonwering, wordt aangebracht aan de binnenzijde van de lichtstraat. Denk aan rolluiken, lamellen of vouwgordijnen die direct onder de beglazing hangen.
Het fundamentele probleem: het glas heeft de zon al binnengelaten voordat de zonwering iets kan doen. De zonnestraling heeft het glas al verwarmd. Dat opgewarmde glas straalt warmte de ruimte in, ongeacht of er binnenzonwering aanwezig is. De binnenzonwering absorbeert dan zelf ook warmte en straalt die eveneens de ruimte in. Het netto-effect is aanzienlijk lager dan bij buitenzonwering.
Binnenzonwering heeft ook praktische nadelen: condensatie (vochtige lucht zit opgesloten tussen glas en zonwering), hoge onderhoudskosten (stof stapelt zich op moeilijk bereikbare plekken) en kortere levensduur doordat materialen blootstaan aan extreme temperatuurverschillen.
Buitenzonwering: warmte stoppen voor het glas
Buitenzonwering wordt aangebracht op het buitenoppervlak van de lichtstraat, direct op of boven de beglazing. Zoninstraling wordt al vóór het glas tegengehouden: het glas warmt niet op, de ruimte blijft koeler.
Dit principe, zonwering aan de warmtebron, wordt in de bouwnormen (waaronder de BENG-eisen) beschouwd als de meest effectieve thermische maatregel voor glazen daken en lichtstraten. In de praktijk betekent dit 60 tot 70% minder warmteoverdracht via de lichtstraat, geen condensatieproblemen en een doek dat geïnspecteerd en gereinigd kan worden zonder de werkruimte te betreden.
Wanneer is binnenzonwering toch een optie?
Er zijn situaties waarbij buitenzonwering praktisch niet uitvoerbaar is: bij complexe dakconstructies waar bevestiging aan de buitenzijde niet mogelijk is, of bij lichtstraten in een atrium of volledig overdekte ruimte. In die gevallen kan binnenzonwering een compromis zijn, met de kanttekening dat de warmtereductie aanzienlijk lager ligt.
Voor standaard lichtstraten in bedrijfspanden, de meest voorkomende situatie, is er geen reden om te kiezen voor binnenzonwering als buitenzonwering technisch mogelijk is.
Conclusie
De keuze tussen buiten- en binnenzonwering is technisch eenvoudig: warmte stoppen voor het glas is altijd effectiever dan warmte stoppen nadat het glas al is opgewarmd. Buitenzonwering reduceert de warmteoverdracht met 60 tot 70%. Binnenzonwering haalt in de praktijk 20 tot 35%, afhankelijk van het materiaal en de constructie.
Voor een bedrijfspand waar temperatuurcomfort een rol speelt bij arbeidsproductiviteit of productbescherming, is het verschil voelbaar en meetbaar op de energierekening.
Zie ook
Heeft u een warmteprobleem via uw lichtstraat?
Sheltic meet op locatie in, produceert het doek op maat en monteert alles vakkundig. U hoeft er niets voor te regelen.
Vraag gratis offerte aan →